SODAjobs
voor

Scholen

SODAjobs
voor

Bedrijven

SODAjobs
voor

Leerlingen

Watervalsysteem

Al jaren kampt het technisch- en beroepssecundair onderwijs met het watervalsysteem. Leerlingen die niet thuishoren in het ASO worden gedwongen te "zakken" naar het TSO/BSO/DBSO/BuSO (Van Gasse & Van Cauteren, 2011). In die groep vinden we natuurlijk leerlingen die onmiddellijk gebaat zijn met de specifieke aanpak van TSO, BSO, DBSO of BuSO. Zij bloeien open, kennen een succesvolle schoolloopbaan en worden niet geconfronteerd met schoolmoeheid. Hetzelfde scenario zien we bij leerlingen die hard werken en zeer bewust kiezen voor een bepaalde studierichting uit interesse en liefde voor hun vak. Het zijn leerlingen waar onze maatschappij nood aan heeft. Maar een niet gering aantal leerlingen komt terecht in het TSO/BSO/DBSO/BuSO met een moeilijker te bepalen profiel. Door de negatieve ervaring met het ASO en ondanks begeleiding van allerlei aard, nemen ze hun laag zelfbeeld mee naar hun nieuwe opleidingsvorm. Daardoor ontstaan er motivatieproblemen die vaak escaleren in een afwijzing van alles wat met een schoolse autoriteit te maken heeft. De gevolgen zijn gekend: een weinig stimulerende groepsmentaliteit, moedeloze leerkrachten en een negatieve perceptie van de buitenwereld.

Dit resulteert in een negatief imago van het technisch- en beroepssecundair onderwijs (Van Gasse & Van Cauteren, 2011). Het cascade-effect houdt verband met de status die aan die opleidingen maatschappelijk worden toegekend. Meestal worden daarbij de theoretische boven de technische studierichtingen geplaatst en de technische boven de beroepsstudierichtingen. De waterval kan in dat opzicht beschouwd worden als een indicatie van het onterechte verschil in maatschappelijke appreciatie voor de verschillende onderwijsvormen en beroepen.

Zowel het sociaal milieu als de maatschappelijke appreciatie voor de onderwijsvormen blijken in grote mate de studiekeuze van leerlingen te bepalen (Van Leeuwen, 2012; Van Gasse & Van Cauteren, 2011). Dit terwijl het talent en de interesse van de jongere de doorslaggevende factoren zouden moeten zijn. In deze context wordt vaak verwezen naar het Matheüs- en Pygmalion-effect. Dit heeft als gevolg dat scholen kampen met een grote drop-out van leerlingen, terwijl de nood aan technisch geschoold personeel groot is (de Koning & den Hartog, 2008). Jammer genoeg zijn veel ouders er nog niet van overtuigd dat beroeps-, buitengewoon-, deeltijds- en technisch secundair onderwijs werkzekerheid garanderen. Bovendien is het klassieke A/B/C-attest niet afhankelijk van attitudes. Alleen vakattitudes mogen beoordeeld worden. Met als gevolg dat leerlingen meer waarde hechten aan punten in plaats van aan attitudes. Zolang de leerlingen goede cijfers halen op hun kennis- en vaardigheidsrapporten vinden ze het overbodig om hun gedrag in de goede richting te sturen. Een belangrijke oorzaak van het imagoprobleem ligt dan ook bij deze attitudeproblemen.

Tal van initiatieven willen via imago-campagnes het TSO en BSO herwaarderen zoals S.T.E.M (strategisch plan van het Vlaams Parlement), Techniek is sjiek (RTC Oost-Vlaanderen), De wereld aan je voeten (Vlaanderen in Actie), etc. Er bestaan ook reeds vele projecten om een juiste arbeidsattitude aan te leren: VDAB-trainingen, Will's kracht, Art2work, ... Soms worden er al attesten verbonden aan bepaalde opleidingen, bijvoorbeeld het attest van nauwgezetheid van Educam. Maar deze attesten zijn eerder gericht op kennis en vaardigheden.