Wat is het SODA-project?
SODA staat voor Stiptheid, Orde, Discipline & professionele Attitudes.
Het doel: meer gewenst gedrag, meer leerwinst, meer rust en duidelijkheid, en een consequent attitudebeleid dat door het hele schoolteam gedragen wordt.
Waarom dit wetenschappelijk onderbouwd is
SODAplus vertaalt sterke inzichten uit gedrags- en motivatiewetenschap naar een haalbare schoolpraktijk:
- Rolmodellen werken (Bandura – sociale leertheorie)
Leerlingen leren gedrag niet enkel via uitleg of straf, maar ook door observatie en imitatie van betekenisvolle voorbeelden. Daarom maakt SODA gewenst gedrag zichtbaar en versterkt het peer role models. (Bandura, 1977; Bandura, 1986)
- Motivatie groeit door autonomie, competentie en verbondenheid (Zelfdeterminatietheorie)
Leerlingen zetten meer door wanneer ze keuze/ruimte (autonomie) ervaren, zich bekwaam (competentie) voelen via succeservaringen en feedback, en zich gezien voelen (verbondenheid). Dat vertaalt zich in coaching, heldere verwachtingen en positieve feedback. (Deci & Ryan, 1985; Ryan & Deci, 2000)
- Positieve bekrachtiging werkt (leerpsychologie / operante conditionering)
Gedrag dat consequent gevolgd wordt door een positieve consequentie, komt vaker voor. Daarom ligt de focus op gewenst gedrag aanleren en versterken, niet enkel corrigeren. (Skinner, 1953)
- Sterk klasmanagement is evidence-informed
Onderzoek rond klasmanagement benadrukt routines, duidelijke regels, voorspelbaarheid en consequente opvolging als kern voor rust en leerwinst. (Kounin, 1970; Marzano, Marzano & Pickering, 2003; Simonsen et al., 2008)
- Schoolbreed gedrag ondersteunen werkt beter dan losse acties (PBIS/SWPBIS)
Schoolbrede systemen met gedeelde verwachtingen, positieve gedragssteun en data-gestuurde bijsturing tonen betere en duurzamere effecten dan ad-hoc ingrepen. (Sugai & Horner, 2002; Sugai & Horner, 2006)
- Meten = weten (data-geïnformeerd verbeteren)
Door gedrag en acties systematisch op te volgen, kan een school gerichter kiezen wat werkt, bijsturen en verankeren in beleid. (Ikemoto & Marsh, 2007; Schildkamp & Poortman, 2015)